Door een Thuiszorgorganisatie werd in 2016 een verzoek gedaan bij de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om alle documenten toe te zenden over een bepaalde situatie. Uiteindelijk is na bezwaar en beroep de zaak in hoger beroep bij de Raad van State terecht gekomen.

In de kern ging de zaak bij de Raad van State over de vraag of ook sms- en WhatsApp-berichten onder de Wob vallen. Deze vraag is opgekomen, omdat sms- en WhatsApp berichten vaak lijken op een telefoongesprek en veel niet zakelijke privégesprekken bevatten. Ook is deze vraag opgekomen omdat zakelijke berichten niet alleen op werktelefoons maar ook op privételefoons van bestuurders of ambtenaren kunnen staan. Het antwoord op deze vraag is ja. Dit betekent dat de minister bij de afhandeling van het Wob-verzoek ook naar dit soort berichten had moeten kijken.

De Wob is duidelijk: daaronder valt alle vastgelegde informatie van zakelijke aard, ongeacht de gegevensdrager waarop deze is opgeslagen. Dat betekent dat als berichten zijn verstuurd in het kader van het werk (lees: bestuurlijke aangelegenheid), deze onder de Wob vallen. Het maakt daarbij niet uit op welk apparaat (zakelijk of privé) deze berichten staan omdat anders de wet kan worden ontlopen door de keuze van het apparaat waarop deze staan.

Moet de minister nu bang zijn dat geen vertrouwelijke berichten meer per sms of WhatsApp kunnen worden verstuurd? Het antwoord daarop is nee. De Wob heeft alleen betrekking op zakelijke en niet op privé-berichten. Daarnaast blijven de weigeringsgronden van de Wob, zoals wanneer het openbaar maken van berichten bijvoorbeeld de privacy schendt of als dit de belangen van de staat schendt, onverkort van toepassing. De aard van een sms of WhatsApp bericht brengt verder mee dat er al snel sprake zal zijn van persoonlijke beleidsopvattingen in het interne debat. Daarvoor kent de Wob een specifieke weigeringsgrond (artikel 11).
Betekent dit dan dat de minister en andere bestuursorganen zomaar toegang hebben tot bijvoorbeeld de privételefoon van medewerkers? Ook het antwoord daarop is nee. De minister heeft geen toegang tot de privételefoon van de werknemer. De werknemer die de privételefoon gebruikt voor het ontvangen en verzenden van werkgerelateerde berichten moet deze berichten zo nodig overdragen aan zijn werkgever. De werkgever kan hierover regelingen maken die bijvoorbeeld bepalen dat de werknemer dit soort berichten alleen op een werktelefoon zet.

Bron: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 20 maart 2019. Klik hier voor de gehele uitspraak.